2016-37_01_nollet-frank-bijgewerkt-mediumVijftien jaar geleden vond de grootste terroristische aanslag uit de geschiedenis plaats. 3.000 mensen stierven in een apocalyptische massamoord, gepleegd door fanatieke moslims, handelend in naam van hun geloof. Zes dagen later hield George Bush jr. een toespraak waarin hij de godsdienst poogde uit te wind te zetten. “Islam is peace”, sprak de president tot een bijeenkomst van moslims in New York. Zijn naïviteit werd toen gedeeld door vele westerlingen. Vandaag zijn degenen die nog in die platitude geloven echter een minderheid geworden, ondanks de selectieve blindheid van beleidsmensen en opiniemakers.

“De westerse tocht naar de waarheid verloopt opvallend traag”, schreef Douglas Murray in The Spectator. “We slepen er ons heen, centimeter per centimeter, na elke bloedige islamistische aanslag.” Vooral de beleidsmensen volharden nog steeds in de ontkenning van de evidentie. Na de aanslagen tegen Charlie Hebdo en de moordpartijen in Boston, Parijs, Brussel, Nice en op zoveel andere plaatsen, spraken alle wereldleiders telkens hun medeleven en afschuw uit. Ze hebben het al zo vaak moeten doen dat ze het refrein waarschijnlijk reeds van buiten kennen. Maar hoe hard de daders ook “Allahoe akbar” schreeuwen terwijl ze de trekker overhalen, het woord “islam” komt nooit voor in de rituele blijken van afkeuring.

“Moorddadige ideologieën”

De herdenkingen, toespraken en perscommentaren naar aanleiding van de vijftiende verjaardag van de aanslagen op New York, waren van dezelfde aard. Men bracht de vele slachtoffers en de moedige redders in herinnering, maar er werd geen enkele verwijzing gemaakt naar de beweegredenen van de daders. Een toehoorder of lezer die niet weet wat daar is gebeurd, zou zowaar de indruk krijgen dat de tragedie het gevolg was van een niet verder omschreven ongeluk of natuurramp. Zoiets als een relaas over het zinken van de Titanic met zorgvuldige weglating van alle verwijzingen naar de ijsberg.

Obama geraakte in zijn toespraak niet verder dan een generieke verwijzing naar “moorddadige ideologieën”, alsof zijn publiek niet zou weten welke ideologie het was die de lijnvliegtuigen in het WTC deed vliegen. Niet alleen weigerde hij de naam van de ideologie uit te spreken, met het gebruik van de meervoudsvorm suggereerde hij dat er eigenlijk veel “moorddadige ideologieën” actief zijn in de wereld, een ontkenning van de unieke monopoliepositie van de islam als wereldwijde generator van terroristisch geweld. De “Global Terrorism Index” schat dat jaarlijks bijna 40.000 mensen de dood vinden door terrorisme. Bijna alle daders zijn moslims, met IS en Boko Haram als de organisaties die het meest bedreven zijn in de dans des doods.

Politiek correct negationisme

Maar de kloof tussen het surrealistische discours van machthebbers die op bijna lachwekkende wijze de olifant in de kamer pogen te negeren, en wat hun toehoorders geloven, is steeds groter aan het worden. Men hoeft niet meer op café te gaan om dat te weten te komen. De sociale media en het internet zijn minder selectief dan de politici in hun vaststellingen en besluiten, ondanks verwoede pogingen (vanwege bijvoorbeeld de beheerders van Facebook) om “islamofobe” uitlatingen te censureren. En electoraal is het ergste nog niet gekomen voor de politieke partijen die het probleem pogen te negeren, in de hoop dat het op miraculeuze wijze weer zal verdwijnen.

Zelfs sommige moslims krijgen het op hun heupen van de overdreven politieke correctheid die niet toelaat de dingen bij naam te noemen. Raheel Raza, een immigrante uit Pakistan, gebruikte de vijftiende verjaardag van 9/11 om haar wanhoop uit te schreeuwen in de Huffington Post: “Als moslima die een achterlijke en intolerante samenleving is ontvlucht om in Amerika van de vrijheid van meningsuiting te genieten, vind ik het moreel verlammend om de negationisten van links excuses te horen zoeken voor de opkomst van de radicale islam of – nog erger – het debat helemaal onmogelijk te maken. … Indien je vandaag, in het Amerika van na 9/11, een woord van kritiek durft uiten – niet alleen op de islam, maar zelfs op de radicale islam – word je gebrandmerkt als racist en islamofoob.”

Superieur en achtergesteld

Eén van de veelgehoorde excuses, waar Raza naar verwijst, zijn de westerse bemoeienissen in het Midden-Oosten. Operaties in landen als Irak en Libië zouden de toorn van de moslims opwekken. Men hoort die redenering ook in Vlaanderen, en heus niet alleen ter linkerzijde. Maar welke westerse interventie had dan 9/11 uitgelokt? Het enige wat de Amerikanen toen hadden ondernomen, was een militaire interventie om de Kosovaarse moslims te helpen tegen de Serviërs, in 1999, wat voor goedmenende moslims eerder een bron van dankbaarheid had kunnen zijn. Wat hadden de Amerikanen (en westerse landen) dan misdaan om dat soort terroristische represailles in 2001 te verdienen? En waarom komen de daders van terrorisme evengoed uit landen die helemaal niet betrokken zijn bij een gewapend conflict?

Het antwoord kwam van Bernard Lewis, de historicus en oriëntalist die de opkomst van het islamitische fanatisme al vele jaren eerder had zien aankomen. Hij had gemerkt dat de wereld van de islam moeilijk omging met haar groeiende achterstand ten aanzien het Westen, op alle mogelijke gebieden. Voor een cultuur die overtuigd is van de superioriteit van de islam (culuurrelativisme is niet besteed aan de meeste moslims), is het zeer moeilijk te aanvaarden dat de eigen religie precies de reden zou kunnen zijn voor de achterstand. De schuld moet dan wel bij buitenlandse vijanden gezocht worden, bij degenen die de bloei van de islamitische wereld met allerlei perfide middelen pogen tegen te houden. Samenzweringstheorieën zijn in de Arabische politieke cultuur dan ook alomtegenwoordig. De totalitaire en oorlogszuchtige neigingen in de godsdienst doen de rest.

Wie denkt dat rechtmatige grieven de haat voor het Westen hebben voortgebracht, vergist zich. De jihadisten haten ons om wat we zijn, niet om wat we doen. De grieventrommel zal altijd gevuld zijn. Het cultuurrelativisme, het permanente gewetensonderzoek (“racisme!”) en de tolerantie tegenover zijn vijanden die het Westen tentoonspreidt, leiden er trouwens niet toe dat anderen ons aardig gaan vinden. Voor vele moslims zijn dit integendeel tekenen van zwakheid en zelfbeschuldiging.

Botsende beschavingen

De wereld is na 11 september 2001 onherroepelijk veranderd. Na de val van de Sovjet-Unie heerste even het optimisme van de filosoof Francis Fukuyama die in 1992 “het einde van de geschiedenis” meende te ontwaren, uitmondend in een wereld waarin westerse democratie en liberalisme zouden triomferen. Hij kreeg toen repliek van zijn eigen leermeester, Samuel Huntington, die in zijn boek “Botsende beschavingen” (1993) eerder een grote confrontatie zag opdoemen tussen het Westen en de radicaliserende islam. Het was het realisme van de leermeester dat gegrond bleek.

Boko Haram en IS, de meest gruwelijke manifestaties van de nieuwe realiteit, nog fanatieker en apocalyptischer in hun denkbeelden dan de daders van 9/11, lijken dan wel in het defensief gedrongen in hun thuisbasissen, de aanslagen en geweldplegingen tegen doelwitten in het Westen blijven ondertussen toenemen.

We mogen vrezen dat het nog erger zal worden. De afwijzende reacties van bijna alle politieke partijen op de nochtans schuchtere voorstellen van de N-VA om het veiligheidsbeleid te versterken, tonen bovendien aan dat we nog steeds met leiders en ideeën uit een vorige eeuw opgescheept zitten.

‘t Pallieterke