Dat verschillende Afrikaanse landen het Internationaal Strafhof de rug toekeren, is geen verrassing. Al enige jaren klinkt steeds scherper het verwijt dat het hof zich vooral keert tegen Afrikanen. Sommigen hadden het zelfs over een instrument van neokolonialisme. En vandaag worden de gevolgen van dat gemor geplukt. Op een pijnlijke manier komen ook de structurele zwaktes van het Strafhof aan het licht.

De oprichting van het Internationaal Strafhof (kortweg ISH) begon in een sfeer van groot optimisme. Eindelijk zou men internationaal eens werk maken van de bestraffing van genociden en grove schendingen van mensenrechten, supranationaal en dus niet gehinderd door de beperkingen van landsgrenzen. De toenmalige secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, had het over een “gigantische stap in de richting van een internationaal humanitair recht.” Eén van de eerste hoofdprocureurs schepte ermee op dat hij met 2,5 miljard mensen (de som van de bevolking van de staten die het verdrag onderschreven hadden) meer volgers had dan het hele Facebook.

Veel van dat optimisme was gemeend. Het optimisme van de Fukuyama’s van deze wereld (een internationale liberale rechtsorde die door haar morele superioriteit omarmd zou worden door steeds meer landen) had op dat punt al een stevige tik gekregen. De genocide in Rwanda, net als de troubles op de Balkan, schoten vele illusies aan flarden. Maar misschien precies als gevolg van de recente geschiedenis, zou zo’n ISH wel soelaas kunnen brengen. Men kan het zich vandaag nog moeilijk voor de geest halen, maar zeker aan Afrikaanse kant kon heel wat enthousiasme ontwaard worden. De meeste landen van het donkere continent werden ook partij. Slechts een vijftal hield de boot af; sommigen ondertekenden ook, maar lieten na te ratificeren.

Blanke rechtbank

Dergelijke verdragen dragen één grote zwakte in zich: ze werken enkel voor de landen die partij zijn. Anders gezegd: als dictator X het behoorlijk bont maakt, maar zijn land heeft het verdrag niet erkend, dan staat het ISH machteloos. Syrië is er een treffend voorbeeld van. Syrië is geen partij, waardoor de kans dat Assad op het vliegtuig richting Den Haag wordt gezet quasi nihil is. Ook de Russische steun die hij geniet maakt dat onwaarschijnlijk; instanties als het ISH kunnen nooit losgeweekt worden uit het breder politiek kader. Het is ook ondenkbaar dat Israël succesvol geviseerd zou worden, daarvoor is de Amerikaanse druk dan weer te groot. En zo zijn er nog enkele voorbeelden van lui die op zich de geknipte pedigree hadden om door het ISH vervolgd te worden, maar wegens juridische- en praktische beslommeringen buiten schot bleven. Rechtstreeks gevolg van deze situatie, is dat de focus vrijwel automatisch op Afrika is komen te liggen.

Die realiteit leidde ertoe dat veel van het aanvankelijke enthousiasme in ergernis omsloeg. Met als gevolg het recente vertrek uit het verdrag van enkele Afrikaanse staten. Gambia bijvoorbeeld, dat in een verklaring duidelijk stelde waarom het het ISH de rug toekeerde. “Er zijn verschillende westerse landen, minstens 30, die zich bezondigd hebben aan misdaden tegen onafhankelijke staten en de eigen burgers”, klinkt het. “Geen enkel van die landen werd veroordeeld. (…) Men kan de rechtbank beter de ‘International Caucasian Court’ noemen in plaats van ‘International Criminal Court’, want ze is gericht op de vervolging en vernedering van gekleurde mensen, in het bijzonder Afrikanen.” Een blik op de lijst van veroordeelden levert volgende namen op: Thomas Lubanga, Jean-Pierre Bemba, Germain Katanga en recenter Ahmad al-Faqi al-Mahdi (die veroordeeld werd voor de vernietiging van heilige sites in Timboektoe). Een Afrikaans onderonsje dus.

Hypocriete verontwaardiging

In VN-kringen weerklonk de officiële verontwaardiging. Kringen rond secretaris-generaal Ban Ki-moon lieten verstaan dat de Zuid-Koreaan “totally shocked” was. Maar hadden de verlichte geesten in New York dit niet moeten voelen aankomen? Gemor is er al langer. Eerder dit jaar liet de Afrikaanse Unie weten een voorstel om het ISH te verlaten te ruggensteunen. In diplomatieke kringen heeft men het enigszins cynisch over Afrika’s Brexit. Ook al moet daar meteen aan worden toegevoegd dat het ene vertrek het andere niet is. Het gewicht van het ene land is ook niet altijd vergelijkbaar met dat van het andere land. Dat Burundi als eerste besloot eruit te stappen, was een direct gevolg van de bedoeling van het ISH een onderzoek in te stellen naar politiek geweld in dat land. Zwaarder tilt men aan het vertrek van Zuid-Afrika, destijds de eerste Afrikaanse staat om toe te treden.

Het land wordt geacht een baken van liberale democratie te zijn voor het continent. Het Zuid-Afrika dat toetrad was dat van Nelson Mandela. Vandaag is het ANC nog steeds aan de macht, zij het met een corrupte potentaat als Zuma. Niet alleen vreest hij als persoon in het vizier te komen staan in enkele netelige kwesties. Zich achter het anti-ISH-gemor scharen, is ook een manier van pan-Afrikaanse profilering gebleken. Aanvaringen waren er eerder al. En de diplomatieke signalen werden steeds scherper. De voorzitter van de International Federation for Human Rights mag dan al ronkend verklaren dat de Zuid-Afrikaanse beslissing “een verschrikkelijke smet is op de post-apartheid reputatie en geloofwaardigheid” van het land, daartegenover staan de feiten. En de realiteit dat net als de oprichting van het ISH in een bepaalde politieke context gebeurde, dit ook het geval is voor de Afrikaanse Brexit.

Michaël Vandamme