Martin McGuinness outside the Dáil giving press statement.
Martin McGuinness outside the Dáil giving press statement.

Toen men op dinsdag 21 maart in het ochtendnieuws van Radio 1 het overlijden van Martin McGuinness meldde, zei de journalist van dienst dat de man, die een voormalig kopstuk van het IRA was, tot voor kort nog als vice-eersteminister deel uitmaakte van de Noord-Ierse regering. Om dat te kunnen verklaren, moeten we even naar de Ierse geschiedenis verwijzen.

Het Brits-Iers conflict, dat nog steeds niet helemaal achter de rug is, mag gerust als een van de oudste van de wereld worden beschouwd. Het nam een aanvang toen een Engels leger in 1167 het land binnenviel. Het is sinds die tijd dat Ieren met wisselend succes de Britse bezetting van hun eiland bestrijden. De Britten lieten nochtans geen enkel middel onbenut om het onder de knoet te houden.

Geconfronteerd met de vaststelling dat Ulster de meest rebelse provincie was, deinsden ze er in de zeventiende eeuw zelfs niet voor terug om een groot aantal boeren uit dat gebied te onteigenen en hun gronden uit te delen aan geïmporteerde Engelse kolonisten. Ondanks die eeuwenlang volgehouden moeite moesten de Britten na de Eerste Wereldoorlog toch vaststellen dat de situatie niet langer houdbaar was.

Onafhankelijkheidsreferendum

Bij de verkiezingen van begin 1919 had de onafhankelijkheidspartij Sinn Féin (het Iers voor: wij alleen) 75 procent van de parlementaire zetels binnengehaald. Conform haar programma hadden haar volksvertegenwoordigers onmiddellijk en op volstrekt democratische wijze de onafhankelijkheid uitgeroepen. Toen Londen zich daar niet bij neerlegde, ontketende het IRA (Irish Republican Army) een guerrillaoorlog die het Brits leger, ondanks een bijzonder brutale aanpak, niet de baas kon.

De Engelse regering zag er zich toe verplicht met de Ierse opstandelingen aan tafel te gaan zitten. De Engelsen slaagden er op die manier in te bedingen dat het resultaat van het toen afgesproken referendum over onafhankelijkheid per graafschap zou worden bekeken. Die graafschappen waar de independentisten geen meerderheid haalden, Brits zouden blijven. De Britten wisten uiteraard maar al te goed dat dit voor zes graafschappen van Ulster het geval zou zijn dankzij de afstammelingen van de kolonisten waarvan sprake hierboven. Het gedeelte van het eiland dat Brits bleef werd van dan af Noord-Ierland genoemd.

Om te vermijden dat de Ierse nationalisten het daar ooit voor het zeggen zouden krijgen, werden een aantal discriminerende maatregelen voorzien die er moesten voor zorgen dat ze blijvend als tweederangsburgers zouden worden beschouwd. Zo werd er bijvoorbeeld een kiessysteem ingevoerd dat voor de Britsgezinden zeer voordelig uitviel (dit o.m. door een cijnskiesrecht en door de grenzen van de kiesomschrijvingen te manipuleren). Op sociaal vlak was het al niet beter gesteld. Indien een bedrijf tot afdankingen diende over te gaan, waren het steeds de arbeiders uit de nationalistische wijken die als eerste getroffen werden.

Het verzet tegen dit alles had maar zeer weinig uitgehaald, zodat de nationalisten uiteindelijk ontmoedigd waren geraakt. In de jaren zestig was het IRA ei zo na een folkloristische vereniging geworden en had het zelfs een groot deel van zijn wapens van de hand gedaan. Het ooit revolutionaire Sinn Féin was nog slechts een schaduw van wat het ooit was geweest.

De ‘troubles’

In 1969 zou alles plots veranderen. In navolging van wat toen in vele landen aan de gang was, ontstond er in Noord-Ierland een burgerrechtenbeweging die de discriminatie duchtig wou aanpakken. Het vreedzame straatprotest dat ze op het getouw zette botste echter op een bijzonder zware repressie vanwege de Noord Ierse politie, die voor vuile karweien over bijzondere knokploegen beschikte, de ‘b specials’ genoemd. Die waren in het leven geroepen om nationalisten onder de knoet te houden en hadden op dat vlak een triestige reputatie verworven. Er werden ook meermaals pogroms tegen nationalistische wijken georganiseerd, tijdens dewelke heel wat huizen in brand werden gestoken.

“Bloody Sunday” op 30 januari 1972, toen tijdens een vreedzame betoging in Derry dertien burgers door Britse parachutisten werden doodgeschoten, werd een triestig hoogtepunt van de repressie in Noord-Ierland. Gans de wereld was verbijsterd en Ierland was dermate gechoqueerd dat de regering van de Ierse republiek – waar het IRA nochtans evengoed verboden was als in Noord-Ierland – aan de zoon van een Vlaamse banneling de opdracht gaf een wapensmokkel – de smokkeloperatie mislukte – naar het noorden te organiseren. Het IRA was daar ondertussen onder druk van de omstandigheden terug actief geworden. Er moest immers gezorgd worden voor de verdediging van de nationalistische wijken. Ook Sinn Féin was opnieuw in gang geschoten. Die partij groeide sindsdien uit tot de grootste nationalistische formatie van Noord-Ierland en overklaste de gematigde nationalisten van de Social and Democratic Labour Party, die tot dan toe de grootste was geweest.

Martin McGuinness, in 1950 in Derry geboren, had zich in 1970 zoals zo vele jongens van zijn leeftijd bij het IRA aangesloten. Hij maakte er vrij vlug carrière, want in 1972 had hij het al tot commandant gebracht van de IRA-brigade van zijn geboortestad. In 1973 liep hij een gevangenisstraf van zes maanden op omdat hij betrapt werd aan het stuur van een auto waarmee springstof werd vervoerd. Toen hij voor de rechtbank verscheen, verklaarde hij onomwonden: “Ik ben lid van de Derry brigade van het IRA en ben daar trots op.” Na zijn vrijlating werd hij opgenomen in de Army Council, die als de generale staf van het IRA mag worden beschouwd.

De lange weg naar de vrede

Het is merkwaardig dat deze man, die toch een belangrijke rol heeft gespeeld in een van de meest bekende guerrillaorganisaties ter wereld, zich tegelijkertijd steeds voor vrede heeft ingezet. In 1972 voert hij al, samen met Gerry Adams, die later voorzitter van Sinn Féin zal worden, geheime besprekingen met een vertegenwoordiger van de Britse regering. Eind de jaren ‘70 gaat hij naar Londen in opdracht van de republikeinse beweging om er in het geheim nogmaals met de regering te onderhandelen. Dit draait telkens op niets uit, maar wanneer hij samen met Gerry Adams in 1978 in de algemene leiding van Sinn Féin terecht komt, zijn zij beiden ervan overtuigd dat Noord-Ierland in een uitzichtloze oorlog is terecht gekomen en dat een ander pad moet worden bewandeld.

Het komt er op dat ogenblik voor hen op aan om heel de nationalistische beweging hiervan te overtuigen. Ze doen dit stap voor stap en hun voorzichtige aanpak heeft succes. Ze slagen erin de partij voor vredesonderhandelingen te winnen. Eenvoudig is dit niet, maar in 1998 wordt net voor Pasen Groot-Brittannië bereid gevonden een vredesverdrag af te sluiten: het Goede Vrijdag-Akkoord. Dit stootte oorspronkelijk op sterk unionistisch verzet en er volgden nog verschillende ernstige politieke crisissen, maar uiteindelijk wordt in 2007 afgesproken dat de sterkste politieke formatie van beide in het conflict betrokken kampen voortaan samen de regering van Noord-Ierland moeten vormen.

Aan nationalistische zijde was dat ondertussen het radicale Sinn Féin geworden, aan unionistische kant het al even radicale DUP (Democratic Unionist Party). Daar deze laatste toen de grootste was, mocht ze de eerste minister leveren. Het werd haar beruchte stichtervoorzitter dominee Ian Peasley. Sinn Féin duidde Martin McGuinness als vice-eersteminister aan. Het zou overdreven zijn te beweren dat vanaf dan in Noord Ierland alles koek en ei werd. Er deden zich meermaals ernstige problemen voor, maar al bij al functioneerde die samenwerking beter dan velen hadden verwacht.

Twee sporen politiek

Sinn Féin dat zijn doel, de wedereenmaking van het land, steeds is blijven belijden, ontwikkelde een merkwaardige tweesporenpolitiek. De partij bleef enerzijds, telkens de kans zich voordeed, keihard op het einde van de “Britse bezetting” aandringen, maar stelde zich anderzijds bijzonder loyaal op wanneer het om het naleven van de politieke afspraken ging. Men zag McGuinness zelfs de Engelse koningin bij haar bezoek aan Noord-Ierland officieel ontvangen en dus begroeten. Iets wat enkele jaren eerder onmogelijk van een Iers nationalist had kunnen worden verwacht.

Toeslaan als het past

In feite was McGuinness aan het wachten op het geschikte moment om toe te slaan. In december 2016 zag hij hiertoe de kans. Toen raakte de eerste minister van DUP, Arlene Foster, van zeer nabij betrokken bij een financieel schandaal. McGuinness eiste dat ze zou opstappen. Toen ze dit weigerde nam McGuinns zelf ontslag en lokte zo nieuwe verkiezingen uit. Nogal wat mensen meenden dat dit een zeer gevaarlijke gok was. De vorige verkiezingen waren immers nog maar tien maanden achter de rug en er werd ervan uitgegaan dat maar weinig mensen zouden komen stemmen.

Ze vergisten zich, want 85 procent van de kiezers kwam opdagen. Nog verbazender was dat die verkiezingen tot gevolg hadden dat voor de allereerste keer in de geschiedenis de Iers-nationalistische partijen Sinn Féin en SDLP in Stormont Castle (het Noord-Ierse parlement) nu even sterk staan als de verschillende pro-Britse fracties. Martin Mc Guinness kon bij zijn heengaan tevreden vaststellen dat hij zijn volk goed gediend heeft. Het weze hem gegund.

Francis van den Eynde